Een draaikiepraam is een klein wonder van mechaniek: één kruk, twee standen, en een reeks nokken die het raam over de volle omtrek tegen de rubbers drukt. Zolang alles goed staat, merkt u er niets van. Zakt het raam een paar millimeter of verliest een nok zijn grip, dan begint het: tocht langs de onderdorpel, een kruk die zwaar gaat, of een raam dat plots in draai- en kiepstand tegelijk hangt.
Het goede nieuws is dat u veel van die klachten zelf verhelpt met één sleutel en een kwartier tijd. Het slechte nieuws is dat afstellen niet alles oplost. Hieronder leest u wat u waar bijstelt, hoe u de winterstand en de zomerstand gebruikt, en op welk punt bijstellen geen zin meer heeft.
De standen van de kruk, en wat ze doen
Wie zoekt op de standen van een draaikiepraam, bedoelt bijna altijd de kruk. Die kent er drie, en de logica erachter is eenvoudig: hoe hoger de kruk staat, hoe minder het raam vergrendeld is.
| Stand van de kruk | Wat het raam doet | Waarvoor |
|---|---|---|
| Omlaag | Gesloten, over de volle omtrek vergrendeld | Dicht, en de stand waarin de nokken hun werk doen |
| Horizontaal | Draaistand: het raam zwaait naar binnen op de zijscharnieren | Helemaal luchten, of de buitenkant lappen |
| Omhoog | Kiepstand: de bovenkant kantelt naar binnen, de onderkant blijft staan | Ventileren zonder het raam open te zetten |





























